skip to content

Successierechten

Een dalende trend in de waarde van het onroerende goed speelt ook een rol in een procedure die zich thans in de beroepsfase bevindt. De erfgenamen hebben een woning geërfd van een overleden moeder waarbij de inspecteur het standpunt inneemt dat deze gewaardeerd dient te worden tegen de WOZ-waarde, met als peildatum 1 januari 2010. De inspecteur hanteert hierbij een strikte uitleg van artikel 21 lid 5 successiewet. Echter deze woning is substantieel in waarde gedaald. De waarde per 1 januari 2011 was € 275.000,00 en deze was per 1 januari 2013 zelfs € 250.000,00.

 

De nalatenschap is opengevallen in december 2011. Artikel 21 lid 5 successiewet is evenwel per 1 januari 2012 aanmerkelijk veranderd. De erfgenamen zouden in gevolg het nieuwe recht de waarde van woning kunnen waarderen tegen de peildatum 1 januari 2011 of tegen het peilmoment van 1 januari 2012.

 

De argumenten die van de zijde van de erfgenamen worden aangevoerd betreffen allereerst een schending van artikel 1 van het eerste protocol van het Europese Verdrag van de Rechten van de Mens, waarin een ongestoord genot van eigendom is vastgelegd. (Het betreft Europees Recht dat rechtstreekse werking heeft in Nederland.)

 

Voorts is de stelling betrokken dat er een anticiperende werking ( = vooruitlopende werking) kan worden toegepast. De Hoge Raad heeft zich over deze kwestie reeds uitgesproken op 21 februari 2014. Deze beslissing was in het voordeel van de inspecteur. Desalniettemin hebben de erfgenamen kenbaar gemaakt een beroepsprocedure te wensen, vanwege het feit dat de waardealing substantieel is en dat het openvallen van de nalatenschap vlak voor de wetswijziging heeft plaatsgevonden. Op deze punten verschilt de onderhavige kwestie van die die voorgelegd is aan de Hoge Raad. Een uitspraak in deze kwestie is te verwachten medio 2015.

 

Copyright 2016 ©|  Webdesign door: ICT meester