skip to content

Het Retentierecht

Nu de economische crisis zich nog steeds verder uitdiept, lopen de betalingstermijnen nog steeds verder op. Het wordt steeds moeilijker om openstaande facturen te incasseren. De overheid maakt het de schuldeiser niet gemakkelijk door de griffierechten wederom substantieel te verhogen, terwijl deze griffierechten al erg hoog waren. Zo moest recent voor het incasseren van een bedrag van meer dan € 500,00 al een griffierecht van € 448,00 door rechtspersonen worden betaald.

 

De schuldeiser beschikt evenwel over een sterk juridisch instrument om betaling van zijn facturen af te dwingen. Het gaat hierbij om het retentierecht. Het retentierecht houdt kort gezegd in dat de prestatie die door de schuldeiser is geleverd, niet hoeft te worden afgegeven aan de schuldenaar (debiteur), zolang de onderliggende factuur niet is betaald. De vordering van de schuldeiser moet dan wel opeisbaar zijn.

 

In mijn praktijk ben ik al diverse malen betrokken geweest bij conflicten over het uitoefenen van het retentierecht. De schuldenaar vindt het alles behalve prettig dat hij de prestatie, waarop hij meent recht te hebben niet ontvangt. In de procedures waarbij ik betrokken ben geweest, stond ik veelal aan de kant van de economische sterkste partij, de schuldeiser. Ik zal een aantal situatie schetsen waarin het toepassen van het retentierecht toelaatbaar is.


De garagehouder.

Het komt vrijwel niet meer voor, maar toch zie ik het met zekere regelmaat dat een gerepareerde auto mag worden meegenomen, terwijl de onderliggende factuur niet is betaald. De garagehouder hoort vaak, dat alles wel goed komt en wanneer de schuldenaar over voldoende geld beschikt zal hij betalen. De garagehouders komen vaak op de koffie, omdat de schuldenaar helemaal niet liquide blijkt te zijn, maar een grote fantast. Deze fantasten hebben soms ook de beschikking over andere auto’s die zij dan wederom (hoe brutaal kun je zijn) aan de garagehouder ter reparatie aanbieden. Een slimme garagehouder zal dan wanneer de reparatie aan de tweede auto is afgerond moeten zeggen dat deze auto pas beschikbaar is zodra alle facturen zijn betaald. De opdrachtgever zal op dat moment snel de nota van de tweede reparatie betalen, waarbij hij in de veronderstelling verkeerd dat hij zijn auto, zijnde een andere auto, op dat moment mee zal krijgen. De garagehouder mag op dat moment stellen dat ook al is de nota van de tweede reparatie betaald, de auto niet wordt meegegeven. De auto wordt pas meegegeven wanneer de nota van de eerste reparatie alsnog volledig worden betaald. Dit is een goed recht van de garagehouder en hij oefent daarmee het retentierecht uit. Dit is toegestaan omdat in de rechtspraak is bepaald dat er voldoende samenhang bestaat tussen de verplichtingen over en weer. Ook al zou de opdrachtgever een procedure beginnen tegen de garagehouder tot afgifte van de auto, dan nog zal de garagehouder deze procedure winnend afsluiten.

 

Ik heb deze situatie geschetst voor een garagehouder, omdat dit veelal de branche is waarbinnen het uitoefenen van deze vorm van retentierecht veelvuldig voorkomt. Natuurlijk kan deze situatie ook in ander branches voorkomen.

 

Ook de bouwkundig aannemer heeft een recht van retentie.

Dit geldt met name bij een volledige nieuwbouw. Immers de bouwplaats behoort toe aan de aannemer tot dat de oplevering een feit is geworden. Ik ben al diverse malen bij bouwkundige zaken betrokken geweest, waarbij de bouwkundige aannemer het retentierecht heeft uitgeoefend omdat betaling van de openstaande facturen uitbleef. De bouwkundig ondernemer heeft zijn retentierecht ook in de openbare registers laten inschrijven om daarmee het retentierecht ook te kunnen uitoefenen tegen een nieuwe eigenaar van het bouwwerk. Het komt namelijk voor dat de opdrachtgever zijn bouwwerk voordat deze is opgeleverd reeds heeft doorverkocht en ook reeds heeft laten passeren bij de notaris. Door nu juist het retentierecht in de openbare registers te laten aantekenen, kan het retentierecht ook tegen de opvolgende eigenaar worden uitgeoefend. Het is wel van belang dat de bouwkundig aannemer duidelijk laat blijken dat de bouwplaats nog steeds aan hem toebehoord. Een spectaculair situatie, waarbij ik betrokken ben geweest, was de volgende cases.

 

De bouwkundig aannemer had nog een vordering van € 70.000,00 op een opdrachtgever. De bouwplaats was duidelijk afgeschermd met hekken en met borden van de bouwkundig aannemer. Er was een conflict gerezen omtrent de € 70.000,00, waarvan een klein deel bestond uit meerwerk. De opdrachtgever was brutaal en plaatste op een onbewaakt moment van de aannemer nieuwe sloten op alle deuren in het pand. Daarmee dacht de opdrachtgever de bouwkundig aannemer dwars te zitten voor het kunnen uitoefenen van het retentierecht. De bouwkundig aannemer liet zich evenwel niet intimideren en is ‘s nachts ingebroken in de woning. Hij heeft daarbij een raam geforceerd en is vervolgens de woning binnengegaan. De opdrachtgever die hier lucht van had gekregen en die ook een beveiligingsdienst rondom de woning had laten surveilleren, heeft onmiddellijk de politie ingeschakeld. De bouwkundig aannemer weigerde evenwel het pand te verlaten. Eerst moesten alle facturen worden betaald. In deze situatie heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat de bouwkundig aannemer nog steeds zijn retentierecht mocht uitoefenen en dat het de opdrachtgever niet was toegestaan om de bouwplaats, inclusief het bouwwerk zich toe te eigenen.

 

De situatie die ik heb geschetst toonde aan dat het retentierecht een effectief middel is. Mocht u nader vragen hebben over het retentierecht, dan kunt u altijd met mij contact opnemen.

 

U kunt mij bellen op 06-292 19 100.

 

 

Copyright 2016 ©|  Webdesign door: ICT meester